Afgelopen half jaar zijn we als team weer volop bezig geweest met de nieuwe schoolplanperiode. Meer dan bij het vorige schoolplan is er op onze school nu aandacht voor burgerschap en digitale geletterdheid. Er zijn veel raakvlakken tussen beide basisvaardigheden en dat deel noemen we digitaal burgerschap. Hier kun je allerlei mooie definities en doelen aan verbinden, maar eigenlijk zie je het direct terug in de dagelijkse praktijk van het onderwijs.
Tekst: Tessa van Zadelhoff, schoolleider basisonderwijs Beeld: AI
Mogen leerlingen AI inzetten bij het maken van werkstukken of spreekbeurten en hoe gaan we daarmee om? Valt die foto in de groepsapp van de klas niet verkeerd bij sommige leerlingen of hun ouders? Wat doen we als gebeurtenissen of feiten die voor ons duidelijk echt zijn door anderen in twijfel worden getrokken? Hoe maken we onze leerlingen weerbaar tegen (online) fraude zoals de inzet van kinderen als geldezel? Digitaal burgerschap is dan ook naar mijn idee geen schoolvak maar een mindset.
Afgelopen schooljaar heeft het team twee masterclasses gehad op dit gebied. De eerste ging over AI, de tweede over financiële educatie. Waarom maken we hier tijd voor in een toch al drukke vergaderplanning? Omdat we het belangrijk vinden dat collega’s goed geïnformeerd zijn.
Digitaal burgerschap is namelijk niet te vangen in een aantal vooraf geplande lessen. Soms komt iets gewoon op je pad als leerkracht. Fijn als je je dan voldoende toegerust voelt om het gesprek aan te gaan. Als onderwijsprofessional hoef je niet alle antwoorden te hebben maar je moet wel een betrouwbare gesprekspartner zijn voor je leerlingen. Als jij als leerkracht aangeeft het niet belangrijk te vinden, zul je ook niet snel in vertrouwen genomen worden als er een probleem is.
Daarnaast gaat digitaal burgerschap over respect. Als je ‘in het echt’ met iemand praat, kun je zien hoe iemand iets bedoelt. Je ziet een gezichtsuitdrukking, merkt de context op. Online is dat veel lastiger. Een grap kan daar heel hard landen, een reactie kan als aanval gevoeld worden, woorden worden soms verkeerd begrepen.
Woorden doen ertoe, ook als het ‘maar’ online is. Wat rondgaat kan blijven hangen, groeien en buiten de oorspronkelijke bedoeling terechtkomen. Dat besef hoort bij verantwoordelijkheid en is een belangrijke les om ook kinderen mee te geven.
Uiteindelijk draait digitaal burgerschap om één ding: hoe je meedoet. Niet alleen technisch, maar zeker ook sociaal en moreel. Het internet is geen aparte wereld waar omgangsregels niet gelden. Het is onderdeel van onze dagelijkse sociale interactie, alleen sneller, groter en soms harder. En als we leerlingen dat vanaf het begin leren, maken we van ‘online zijn’ niet alleen een vaardigheid, maar een manier van samenleven.